Like ons!
IDL Retro | Wiggins, Kirsipuu en Cantwell stoomden me klaar voor de rit van mijn leven

IDL-producties

IDL Retro | Wiggins, Kirsipuu en Cantwell stoomden me klaar voor de rit van mijn leven

In de rubriek IDL Retro zet In de Leiderstrui een stapje -of twee- terug in de tijd en kijken we om naar koersen of renners in het verleden. Komende week staat de Herald Sun Tour op het programma. Niet de grootste, maar wel de oudste ronde van Straya.

Waar de Tour Down Under dit jaar toe was aan de 21ste editie, zal woensdag de Herald Sun Tour al voor de 66ste keer van start gaan. Om een beter deelnemersveld te genereren besloot de organisatie een aantal jaar geleden achter de TDU en de Cadel Evans Great Ocean Road Race aan te sluiten op de kalender. Tot dan toe vond de ronde altijd plaats rond oktober. Dat was ook nog het geval in 2009, toen ik net voor een klein jaar working holiday was aangekomen in Australië.

Afstappen in de neutralisatie is geen optie
Koud in het warme land aangekomen, spendeerde ik de dagen en vooral late avonden met wat doelloos rondslenteren door de zielloze binnenstad van Melbourne. De meeste backpackers die ik in die dagen ontmoette waren óf aan het werk, óf als doorgesnoven reisjunks hun volgende zetten aan het bepalen op het schaakbord der onmisbare toeristische attracties. Aansluiting vond ik niet. Als een wat dorpse jongen die nog niet heel veel van de wereld had gezien waren nachtelijke conversaties met benevelde Aboriginals, of het een uur lang staren naar een andere kant op draaiende zon voorlopig boeiender dan een koraalrif of stenen apostel.

Het waren oppervlakkige afleidingen van een eenzaamheid die ik nog niet eerder had ervaren. Nog tijdens de eerste kilometers was ik alleen achterop geraakt in mijn eigen rit en ik zinspeelde serieus al op afstappen en huiswaarts keren. Al mijmerend dat opgeven in de neutralisatie echt geen optie mocht zijn, stuitte ik opeens op een affiche van de Jayco Herald Sun Tour. De ronde zou de volgende dag met een laatste etappe door de binnenstad van Melbourne eindigen.

Een rondje rond de kerk
Al meer dan een decennium was ik een koersconnaisseur, maar veel koersen had ik nog niet bezocht. Voor de jaarlijkse kermiskoers in ons dorp had ik altijd mijn neus opgehaald. ‘Dat heeft niets met koers te maken’, zei ik eens tegen mijn baas uit hetzelfde dorp, toen hij informeerde bij een mede-wielerliefhebber of ik die middag ook zou gaan kijken. De laatste rit in Melbourne dat jaar was ook een veredeld criterium, met rondjes van een paar kilometer. Zoals wel meer oorspronkelijk door kranten gesponsorde ronden in het wielrennen afsluiten met een stratenrace. Nooit had ik kunnen denken dat een rondje om de kerk zo heilzaam kon werken.

Elke voorbij scheurende renner was een lichtpuntje aan de horizon. De geur van ingevette benen, het zalige zoemen van de velgen: een huiskamer waar ik me even thuis waande. De derde keer dat ze voorbij kwamen maakte mijn hart een reuzesprong. Het was hem echt: Jaan Kirsipuu! In het laatste wiel, als een meewaaiend propje, gleed daar de voormalig topsprinter uit Estland voorbij. Het criterium bleek een huiskamer waarin ook nog eens een goede oude vriend zat.

Afstappen voor de bergen is altijd een optie
Kirsipuu was een van de rapste mannen uit het peloton in de jaren dat ik net begon kennis te maken met het wielrennen. Terwijl hij weer voor een ronde uit het zicht verdween trokken de namen van zijn concurrenten in mijn gedachten voorbij: Danilo Hondo, Ján Svorada, Frédéric Moncassin, Mario Cippolini, Djamolidine Abduzhaparov. Spurtbommen uit een tijd waarin de massasprint nog aanvoelde als kleurrijke explosies, in plaats van opwarmmaaltijden in het verlengde van de reclamekaravaan.

Elke ronde keek ik naar Kirsipuu uit. Zou hij al weer wat zijn opgeschoven? Was zijn gezicht niet nog meer richting een schakering van Uluru (de beroemde gravelachtige monoliet in het midden van het land) gaan kleuren? Zoals in zijn hele carrière zat zijn helm wat scheef, naar achter geschoven op zijn hoofd. Het gaf Kirsipuu immer een wat vals bedenkelijke uitdrukking. De tegenstand liet zich vaak genoeg bedotten door de weinig gesoigneerde Est. Hij won meer dan 130 koersen, waarvan vier Touretappes. Tevens droeg hij zes dagen de gele trui. Hij zal echter het meest herinnerd worden aan het record aantal keer dat hij afstapte in de Tour de France: twaalf. Net als de grootste sprinter in zijn dagen, Mario Cipollini, reed hij de Tour nooit uit. Het maakte dat ik alleen maar meer hoopte dat de reeds 39-jarige die dag nog eens zou zegevieren.

Omgekeerd evenredige Fluimucil-kerstman
Niet ver voor de finish was me ook een andere renner gaan opvallen. Als ik me niet vergiste was het Bradley Wiggins, rondrijdend in wat vast moet doorgaan voor de leiderstrui. In tegenstelling tot Kirsipuu zat hij constant alert van voren. De Brit was lang vooral een befaamd baanrouleur en verdienstelijk tijdrijder en eerder dat jaar had hij opzien gebaard door uit het betrekkelijke niets vierde te worden in de Tour de France. Na het schrappen van Armstrongs derde plek schoof hij op papier zelfs op het podium. Een symbolische Angelsaksische aflossing van het Amerikaanse tijdperk naar het Britse.

Wiggins zou in 2012 de Tour zelfs als eerste Brit winnen, alvorens Froome en afgelopen jaar ook Simon Yates en Geraint Thomas van de Britten echt een grootmacht maakten in het wielrennen. De vraag is nog altijd een beetje of Wiggo in de toekomst bekend zal staan als Tourwinnaar en werelduurrecordhouder. Misschien staat hij in de toekomst bekend als omgekeerd evenredige Fluimucil-kerstman: met zijn steeds groter wordende buik en wilde baard de man die alle pakketjes ontving in plaats van uitdeelde.

Anaerobe hoop
De laatste ronde was ingegaan. Kirsipuu was voorbij gekomen in het wiel van Wiggins, rond de tiende positie. Ook ik was opgeschoven, tot bijna naast de streep en tuurde ingeklemd door joelende en met prullaria op de hekkende rammende toeschouwers naar de laatste bocht. Tussen het in zicht komen van het zwaar uitgedunde peloton en het passeren van de streep zat enkel een ingehouden ademtocht. Een anaerobe hoop voor een laatste triomfantelijke zucht van een bijna vergeten renner.

Jonathan Cantwell won. Kirsipuu passeerde de meet als vijfde (terug in mijn hostel ontdekte ik dat Kirsipuu de eerste rit had gewonnen. Ik had zijn laatste zege op een 2.1-niveau of hoger net gemist). De omroeper kondigde Bradley Wiggins af als eindwinnaar. Naast mij stapte iemand over het hek. Niemand hield hem tegen - ik volgde. Dertig passen later stond ik direct achter de over zijn stuur uithijgende Wiggins. ‘Yo Bradley’, hoorde ik mezelf zeggen. Hij keek wat geërgerd om. Ik bleek een fototoestel in mijn handen te hebben en drukte af.

Lees verder onder de foto!

Samen is niet alleen
Wiggins had zojuist zijn eerste grotere etappekoers gewonnen. Tussen een kleine schare fotografen, regelneven en fans ontwaarde ik in zijn oogopslag geen vreugde of glinstering van roem, maar een doffe leegte. Haast als een verdwaald kind, langzaam wegzakkend in drijfzand van eenzaamheid. Of het nu slechts even bijkomen was, of een zwart gat van realisatie dat het doel bepaald niet alle middelen heiligt; ik kon er niet langer naar kijken en beende weg om te zien of er een selfie met Kirsipuu in zat.

Kirsipuu zou ik niet vinden, maar het was verbazingwekkend hoe vrijelijk ik kon ronddwarrelen. Ik vond een feesttentje gelijk degenen waarin men in Nederland het barbecueën voltooid als het begint te regenen. Op plastic stoeltjes zaten de renners van Fly V Australia P/b Successful Living Foundation. Een ploeg met een lekker bondige teamnaam en tevens onderdak biedend aan de ritwinnaar van de dag, Jonathan Cantwell. In het midden stond een koelkist met bier, waarvan het deksel duidelijk met enige nijd was afgesmeten, zo in de hoek van het tentje liggend.

Cantwell zelf was net begonnen een stubbie in één teug zijn keel in te gieten. Het deed me denken aan wat ik wel eens over deze ronde gelezen had. Dat het vroeger bekend stond als de Herald Fun Tour. Na elke etappe zou het complete circus de pub in zijn gedoken. Enkel de eerste vijf in het klassement dronken niet meer dan drie pints. Cantwell zette het gedraineerde flesje op het gras, veegde met de rug van zijn hand het gerstenat van de kin en staarde in de diepte. Weer zo’n blik waarin de ogen bodemloze putten werden. Ik staarde onophoudelijk naar zijn staren. Hij moet het gevoeld hebben en draaide zijn blik ineens naar de mijne. Even was het een oneindige weerspiegeling van leegte, maar Cantwell gaf snel een knipoog. In gedachten knipoogde ik terug en besloot direct weder te keren naar mijn hostel. Ik had de neutralisatie overleefd en was klaar voor de rit van mijn leven.

Mathijs Stel (email: mathijs@indeleiderstrui.nl )

0 reacties

Schrijf een reactie

Om een reactie te kunnen schrijven dien je ingelogd te zijn. Login/Registreer je hier direct!
Naar boven