In een jaar waarin grootheden als André Greipel, Dan
Martin en Anna van der Breggen afzwaaiden in het wielrennen, bleven andere renners
en rensters die stopten misschien wat onderbelicht. Zo besloot de 35-jarige
Janneke Ensing er na een lange en slopende carrière als schaatsster én
wielrenster mee te stoppen. De Nederlandse reed haar laatste jaar bij Team
BikeExchange en heeft een bijster interessant verhaal te vertellen over haar
loopbaan, angsten, frustraties en ambitieuze toekomstplannen. In de
Leiderstrui tekent dat verhaal nu op.
Ensing werd op 21 september 1986 geboren in het Drentse
Gieten en bleek als jonge meid al een bovengemiddeld talent te hebben voor
schaatsen. Ze reed wedstrijden op de langebaan en in de marathon en boekte
mooie successen in de
Massastart. Al sinds 2010 reed ze ook wedstrijden op de
fiets, wat ze ieder jaar een beetje serieuzer deed. Tussen 2015 en 2018 kende
ze haar beste periode in het peloton, met in totaal drie overwinningen op haar
palmares. Ze was actief op twee WK’s en werd onder meer ook twee keer tweede in
Gent-Wevelgem en een keer tweede in de Clasica San Sebastián. In haar fietscarrière reed ze voor Boels-Dolmans (2010-2014), Parkhotel Valkenburg (2015-2016), Alé Cipollini (2017-2018), Team Sunweb (vier maanden), WNT-Rotor Pro Cycling (acht maanden) en
Team BikeExchange (2020-2021)
Uiteraard ben ik in jouw statistieken gedoken en daarom
wil ik wel graag beginnen bij het schaatsen, waar eigenlijk je roots liggen.
Hoe ben je vanuit het schaatsen in de wielersport gerold?
‘Nou, zoals velen wel zullen weten, fietsen schaatsers ook
veel. Ik deed het al als training en op een gegeven moment vroeg iemand waarom
ik niet een keer een wedstrijdje zou doen. Ja, waarom niet? Het was in een
periode dat ik bij het schaatsen bij Jong Oranje reed, maar door de Ziekte van
Pfeiffer moest ik terug naar mijn gewest. Ik miste al snel mijn
trainingsmaatjes en dat je net even extra getriggerd wordt. Het was goed om er
iets anders bij te nemen, voor meer intensiteit, waardoor ik wedstrijden ben
gaan fietsen.’
De combinatie schaatsen-fietsen heb je een hele tijd
gedaan. Op welk moment besloot je toch voor de fiets te kiezen?
‘Dat is wel een beetje van hot naar her gegaan, hoor. Ik zag
dat ik in totaal elf jaar heb gefietst, maar zo voelt het helemaal niet. Het
voelt als vier of vijf seizoenen, omdat het nog helemaal niet goed geregeld was
bij het
vrouwenwielrennen, toen ik erin stapte. In het begin reed ik maar zes
of zeven wedstrijden in het jaar, tot het moment dat ik steeds meer ging fietsen
en ook in de winter echt op de fiets ging voorbereiden. Op het moment dat ik al
vrij veel fietste, kwam echter opeens de Massastart erbij als onderdeel in het
schaatsen. Daar deed ik het wel leuk op en kon ik het WK halen, om zo een
status te vergaren bij het NOC-NSF. Om die reden bleef ik langer door
schaatsen, omdat ik financieel niet genoeg bij elkaar reed op de fiets. Toen de
Massastart ook olympisch werd, zag ik wel kansen, ook omdat die bij het
wielrennen kleiner waren op dat moment. Met Irene Schouten vormde ik een mooi
koppeltje en op het WK hebben we het ticket binnengehaald voor de Spelen. Ik
mocht alleen niet heen, omdat er te weinig plekken waren in de olympische
selectie. Toen dat wegviel, vond ik het wel mooi geweest. Ik kreeg een mooi
aanbod van een wielerploeg en zo kon ik me daar vanaf 2017 vol op richten.’
Interview gaat verder onder de post
Ensing op het podium bij het NK Marathonschaatsen. Links Irene Schouten, haar koppelmaatje bij de Massastart.
In de twee seizoenen dat je bij Parkhotel Valkenburg reed
(2015 en 2016) kon je het financieel dus nog niet alleen hebben van het
fietsen?
‘Nee, zeker niet.’
Toch heb je in die twee jaar ontzettend goede prestaties
gehaald op de fiets. Was de combinatie met schaatsen dan zo’n goede voor jou?
‘Ja, die was perfect voor mij. De afwisseling motiveert mij,
waardoor ik ook steeds weer zin heb om ook te fietsen. Alleen op de fiets is
best saai. De wedstrijden zijn heel leuk, maar het trainen is heel eentonig in
vergelijking met het schaatsen. Voor die sport ga je ook hardlopen, je hebt
krachttraining en je gaat skeeleren; in de wielersport is het alleen fietsen.
Dat vind ik minder leuk, waardoor ik het fijn vond om het schaatsen erbij te
hebben. Het is ook goed om in de winter hardheid op te doen. Dat zie je wel aan
Mathieu van der Poel en Wout van Aert, dat het goed is om in de winter ook
wedstrijden te rijden.’
Is het schaatsen zoveel explosiever dan wielrennen?
‘Ja, ik haalde mijn explosiviteit en kracht wel echt uit het
schaatsen, daar werd ik beter van.’
Maar kreeg je van al je ploegen dan wel de vrijheid om
dat te doen?
‘Nee, niet bij allemaal. Maar in de laatste jaren heb ik die
wel gekregen, omdat ze ook wel zagen dat het goed voor mij was. Ik deed het
vaak tot januari en maakte dan de switch naar de fiets, dat vond ik ook prima.’
Was Team Sunweb één van de ploegen waar het niet mocht?
Aangezien je daar na enkele maanden alweer vertrok in 2019…
‘Nou, ik mocht daar niet doen wat ik wilde, maar mijn
vertrek daar had wel andere redenen. Ik was daar gewoon niet op mijn plek.’
Als we 2017 als jaar pakken dat je je, na je overstap
naar Alé Cipollini, helemaal ging richten op het fietsen… Als wat voor renster
zag je jezelf destijds?
‘Ik ging naar die ploeg, omdat ik dacht dat het een leuke
ervaring zou zijn, bij een buitenlandse ploeg. Ik begon echter al snel wat te
winnen en ik had nooit verwacht dat ik dat in me had. Ik had wel even tijd
nodig om de omslag te maken van schaatsen naar wielrennen, omdat ik wel vier à
vijf kilo kwijt moest raken. Dat doe je niet in één jaar, dat is ook niet goed.
Toen ik koersen ging winnen, had ik wel de droom om een EK of WK te rijden,
voor een Nederlandse vrouw is dat een groot doel. Ik heb niet de kans gehad om
voor een titel te fietsen, maar ik ben wel heel blij dat ik een EK en WK
gereden heb en dat we ook kampioenen hebben afgeleverd. Voor mezelf had ik wel
gehoopt op nog een overwinning in een WorldTour-wedstrijd en wat mooie
noteringen in de klassiekers.’
Interview gaat verder onder de post
Ensing tekende in 2017 voor twee seizoenen bij het Italiaanse Alé Cipollini.
Je stuurde een tijdje geleden dat het best even wennen
was dat je nu gestopt bent. Is dat nu nog steeds zo?
‘Het ebt nu wel weg! Ik zit nu thuis, terwijl ik alle
zon-foto’s van de trainingskampen van mijn oud-collega’s op Instagram voorbij
zie komen. Dat is natuurlijk de mooie kant van ons werk, maar ik ken ook de
andere kant. Ik ben niet voor niets gestopt, door de minder mooie kanten vond
ik het niet meer leuk. Ik heb twintig jaar móeten sporten – ook omdat ik het
leuk vind natuurlijk – maar dat hoeft nu niet meer. Als ik naar buiten kijk en
het regent, dan ga ik niet fietsen; die luxe heb ik nu. Ik heb meer tijd voor
mijn familie en vrienden en ik ben druk bezig om mijn maatschappelijke carrière
op te starten. Dat heb ik ook wel nodig, een doel in het leven, omdat ik die in
de sport nu niet meer heb.’
Lekker een rondje fietsen voor iemand die enkele weken
geleden nog prof was, dat is dus wel lastig?
‘Ja, voor mij nu nog wel, ja. Het plezier in het fietsen zal
straks wel weer komen, dat komt ook door de grijze en grauwe dagen in deze
periode. Ik keek in het begin ook nog wel op mijn hartslagmeter wat ik had
gedaan, maar dat doe ik niet meer. Ik doe maar wat, hardloop wat meer, schaats
nog wat wedstrijdjes en dan zie ik het allemaal wel.’
Wil ik even terug naar de uitspraak dat je het wielrennen
afgelopen jaar niet leuk meer vond. Waar zat ‘m dat precies in?
‘Ik was gewoon angstig op de fiets, het werd voor mij steeds
moeilijker en ik kon die angst niet meer overwinnen. In sommige wedstrijden heb
ik geen mooie uitslagen kunnen rijden, omdat ik te bang was. Ik kon vaak heel
goed mee omhoog, maar dan zat er een afdaling in en verloor ik weer
weet-ik-hoeveel plekken. Ik ben in 2020 hard gevallen, waarna ik zelfs met een
psycholoog bezig ben geweest. Het ging afgelopen jaar ook wel weer beter,
totdat ik weer viel. Ik merkte dat het er niet meer uit ging en had geen
behoefte om weer een intensief traject met een psycholoog aan te gaan. Ik vond
het wel prima en wilde in 2021 dus vooral goed afsluiten. In het corona-jaar
heb ik veel pech gehad, maar dit jaar zat ik wel tegen mijn topniveau aan. Dat
was fijn, hoewel ik vooral heb geknecht en niet veel eigen uitslagen heb kunnen
rijden. Het is goed zo en ik wil ook gewoon meer bij mijn familie zijn en niet
meer te veel van huis.’
Had je die angst op de fiets al langer, of is dat echt in
de laatste twee seizoenen gekomen?
‘Ik ben laat begonnen met fietsen, dus ben in het peloton
niet één van de sterksten. Als je zo laat begint, heb je die skills niet. Bij
het schaatsen heb ik helemaal geen angst, terwijl veel mensen dat met die
scherpe messen juist heel eng vinden. Ik denk er daar niet over na, maar bij
het fietsen is dat anders. De laatste jaren hoor ik ook wel bij collega’s die
ouder worden, dat het lastiger wordt. Als je jong bent, zie je die angsten
gewoon niet, maar de laatste jaren ben ik wel een paar keer goed gevallen. Dan
lag ik er een tijd uit en ik kon er niet meer tegen om steeds weer te
revalideren om terug te komen. Ik was er wel klaar mee. Je moet er zoveel voor
doen en voor laten en dat is helemaal niet erg, maar dan moet je er wel iets
voor terugkrijgen. Afgelopen jaar reden we met de ploeg ook geen resultaten
meer, dus waar doe je het dan allemaal nog voor?’
Waar zit die angst precies in? Is dat de angst om te
vallen? De angst voor de afdalingen? Het rijden in een peloton?...
‘Rijden in het peloton viel nog wel mee, maar de afdalingen schrokken
mij wel af. De angst om te vallen en de gevolgen die daar bij horen, dat
speelde heel erg in mijn hoofd. Dan was ik net weer een beetje in orde en dan
dacht ik na over wat er zou gebeuren als ik weer zou vallen. Ik was er veel mee
bezig en remde net iets eerder voor een bocht dan de rest. Dat is zonde, want
daarmee verlies je zoveel energie…’
Interview gaat verder onder de post
Ensing liep de laatste twee jaar diverse blessures op door valpartijen.
Als je die angst nu wegneemt en je kijkt puur naar je
fysiek en je potentie: had jij volgens jezelf de kwaliteiten om echt een keer
een klassieker te winnen?
‘Ja, ja, dat denk ik wel. Ik ben er honderd procent zeker
van dat ik niet het maximale uit mijn lichaam heb gehaald. Dat is ook de reden
dat ik nu best lastige momenten heb gekend, omdat ik weet dat ik nog niet alles
heb laten zien wat erin zit. Stel dat het wel een keer goed valt… Maar
uiteindelijk start je met 150 vrouwen en er kan er maar eentje winnen. Het moet
dan ook nog meezitten en je moet een ploeg om je heen hebben. Bij BikeExchange
hadden we afgelopen jaar ook zoveel pech, we hadden op een gegeven moment geen
rensters meer over om te laten starten. Al onze kopvrouwen waren ook niet goed,
bij één kwamen we er pas recent achter dat ze kampt met een beknelde
liesslagader. Daar heb ik het hele jaar voor geknecht en dat is ook nooit
aangepast, want zij zou het maken. Daar vertrouw je dan ook op, maar het kwam
er niet uit. Dat is lastig, want bijvoorbeeld in Luik-Bastenaken-Luik voelde ik
afgelopen seizoen dat ik echt voor het podium kon gaan. Maar we hadden een plan
om voor haar te gaan en daar houd je je dan ook aan. Ik had mijn bek misschien
iets vaker op moeten trekken, dat het een keer voor mij was. Maar dat is
achteraf makkelijk lullen.’
Kijk je dan uiteindelijk wel met een tevreden gevoel
terug op je carrière?
‘Dat komt steeds meer, hoor. Ik hoor het bij anderen en
luister veel podcasts van oud-sporters, zoals Gregory Sedoc en Khalid
Boulahrouz. Die zeggen dan ook dat je wel steeds kan nadenken over wat je niet
hebt bereikt, maar wat heb je wél bereikt? Als ik dan mijn foto’s op mijn
telefoon ga terugkijken, dan denk ik wel: Verdomme, inderdaad! Ik ben op zoveel
plekken geweest, heb zoveel meegemaakt en heb gewoon twee sporten op het
hoogste niveau gedaan. Eén is al knap, maar ik heb er twee gedaan! Dat moet ik
vaker tegen mezelf zeggen, voordat ik het echt ga beseffen. Iets minder
zelfkritisch zijn, maar dat is lastig, omdat ik honderd procent zeker weet dat
ik meer had kunnen laten zien. Maar in het wielrennen ben je van zoveel dingen
afhankelijk. Het is geen schaatsen, waarin je je rondjes afwerkt en een tijd
rijdt. In het wielrennen heb je met ploeggenoten, het weer, het parcours en nog
veel meer dingen te maken… En dat is ook wel weer het mooie eraan.’
Als ik je dan even in de spiegel laat kijken en ik vraag
je nu om de prestatie of het moment waar je het meest trots op bent…?
‘Pfoe, dat is mij de laatste tijd vaak gevraagd en dat vind
ik heel moeilijk. Ik heb in best veel koersen echt top-uitslagen gereden, maar
dat zijn geen overwinningen. Dat ik in 2017 de heel zware laatste etappe won
van de Boels Ladies Tour, dat was wel één van de mooiste. Mijn ouders waren
daar ook bij, dus het is heel fijn dat we dat samen konden beleven.’
Ik pak even de uitslag erbij… Die rit won je voor namen
als Lucinda Brand en Katarzyna Niewiadoma, geen misselijke namen!
‘Klopt! Die staat wel hoog. Maar ook het EK en WK vond ik
supermooi. Ik sliep bij Chantal Blaak op de kamer, in het jaar dat zij
wereldkampioen werd, in 2017. Dat beleefde ik van dichtbij mee, dat was toch
ook wel heel gaaf.’
Interview gaat verder onder de post
Ensing reed haar laatste race - hoe kan het ook anders - in 'haar' Ronde van Drenthe.
Maak ik ineens een heel grote sprong, maar je vertelde
mij voor dit gesprek al dat je inmiddels foodcoach bent bij Jumbo-Visma. Hoe
ben je daar in gerold?
‘Ik denk dat ik leidinggevende Karen Lambrechtse vijf
maanden geleden al eens een appje heb gestuurd. Ik volgde haar al op Instagram
en daar werd ik wel door getriggerd. Ik heb daarna met haar gezeten en ben in
oktober mee geweest op trainingskamp, om te kijken hoe ik het vond. Dat beviel
van beide kanten eigenlijk zo goed, dat ze graag wilden dat ik als foodcoach
aan de slag ging bij de mannenploeg. Mensen binnen de ploeg hadden mij al wel
gewezen op de functie, toen ze hoorden dat ik ging stoppen. Ze wisten dat ik
een opleiding diëtiste had gevolgd en dat ik ook wel van koken houd. Maar
uiteindelijk kwam het van mijn kant, ik toonde interesse en dat heeft nu een
dienstverband opgeleverd.’
Doe je dat fulltime? Hoe ziet dat er precies uit?
‘Ik draai 85 kookdagen, wat met voorbereidingen en
bedrijfsdagen neerkomt op zo’n 110 dagen werken. Als ik met de ploeg op pad
ben, verzorg ik het ontbijt, de lunch, de middagsnack, het avondeten en de
avondsnack. Zoals je waarschijnlijk wel weet komt dat allemaal heel precies en
wordt alles afgewogen. Dat is een mooi systeem, waardoor renners precies weten
wat ze binnen krijgen, in een wereld waarin veel renners te weinig eten. In het
vrouwenpeloton worden ze ook steeds dunner.’
Is het fijn dat je dan een derde van het jaar nog in het
peloton te vinden bent, en zo misschien een beetje makkelijker kan afkicken?
‘Ik vind deze mix inderdaad heel fijn, ik ben niet meer
alleen op pad. Ik vind het leuk om het allemaal vanaf de andere kant te zien,
want ik had altijd al zoveel respect voor stafleden en mekaniekers, maar dat is
nu nog meer, nu ik zie hoe er gewerkt wordt. Het zijn lange dagen die ze maken
en het is een plus dat ik weet hoe het er nu aan beide kanten aan toe gaat.’
En dan sta je ineens tussen de Roglic’en en Dumoulins van
deze wereld. Als ik de documentaires van Jumbo-Visma zo zag, zie ik heel veel
respect tussen renners en de mensen er omheen.
‘Ja, dat viel mij ook heel erg op, dat had ik misschien niet
helemaal verwacht. Het is echt heel fijn samenwerken, met iedereen. In de dagen
die ik niet werk voor Jumbo-Visma, werk ik als diëtiste.’
Is dit het beeld wat je voor de komende jaren ook voor
ogen hebt?
‘Ja, ik heb het hartstikke naar mijn zin bij Jumbo-Visma, ik
kan daar met alle kennis onwijs veel leren. Ik heb geleerd als diëtiste, maar
dat zie ik mezelf niet fulltime doen. Bij Jumbo-Visma doe ik de voeding, maar
ben je ook op pad met allerlei culturen. De combinatie met de baan als diëtiste
is heel fijn, ook omdat ik daar niet alleen werk met topsporters. Kinderen met
overwicht triggeren mij ook heel erg, daar wil ik ook graag projecten mee gaan
draaien. Ik heb ook het CIOS gedaan en heb dus een beweeg-achtergrond, waardoor
ik ook graag iets met sport blijf doen. Voor de komende jaren zie ik die
combinatie met Jumbo-Visma en het thuiswerken wel als een ideale mix.’