Voor de een is het een hel, voor de ander is er niets
mooiers. Het gaat uiteraard over de ploegentijdrit. Twee tijdrijders van wereldtop,
Geraint Thomas en
Rohan Dennis, vertellen erover in de
Geraint Thomas Cycling Club podcast.
Klimmerstypes zijn doorgaans niet de renners waar we aan denken
voor de ploegentijdrit, maar volgens Dennis zijn die soms meer geschikt dan
echte hardrijders. Als voorbeeld neemt hij Egan Bernal. ‘Hij is niet zo slecht
in tijdrijden. Ik denk dat bijvoorbeeld Pavel (Sivakov, red.) of Dylan van
Baarle minder tot hun recht komen dan Bernal in een ploegentijdrit. Bij
ploegentijdritten gaat het allemaal om piekvermogen en de kwaliteit om daar
snel van te herstellen om nog een keer zo’n inspanning te leveren. Terwijl Dylan
juist supersterk is, een superknecht, maar hij heeft niet die punch.’
Dennis: 'Arme Manuel Senni'
‘Van Baarle kan de gehele dag rond zijn omslagpunt fietsen, maar
wanneer hij opeens honderd watt meer moet leveren, dan doet dat hem veel meer
pijn dan mij of (Filippo, red.) Ganna, die dat onderdeel specifiek trainen’, vervolgt Dennis.
Hij noemt ook zijn voormalig ploegmaat bij BMC Michael Schär. ‘Hij is
supersterk, maar waarom niet in de ploegentijdrit? Hij kan dus heel lang een
enorm tempo rond zijn omslagpunt leveren, maar als hij erover heen gaat, dan gaat
hij helemaal kapot.’
Thomas kan zich goed voorstellen hoe sommige renners
doodsangsten uitstaan voor het rijden van een ploegentijdrit. ‘Ze doen het in hun
broek van angst en denken: ik word gelost in de eerste vijf kilometer, en het
is een ploegentijdrit van 35 kilometer.’ Dennis haakt gelijk in met een
voorbeeld. ‘Arme Manuel Senni. Het was denk ik zijn eerste of tweede ploegentijdrit
in de Ronde van Romandië 2015. We stonden op het startblok en hij was zo
gestrest. Zijn hartslag was 151.’
Thomas: 'Nam vier koppen koffie van te voren'
Thomas vervolgt met een ander voorbeeld, waarin hijzelf het
lijdende voorwerp is. ‘Ik heb het meeste stress gehad voor een ploegentijdrit
toen ik mijn bekken brak in de Tour van 2013. Alleen de eerste drie kilometer
kende veel bochten en die moest ik goed doorkomen. Ik kon niet op de trappers
staan, dus ik moest alles vanuit het zadel doen, zoals versnellen. Ik had van
te voren wel vier koppen koffie genomen. Dat gaf me een enorme kick en ik zei
tegen mezelf: ‘Ik moet bij ze blijven. Het lukte en mijn moraal schoot daarna
omhoog. Ik deed zelfs nog wat kopbeurten en moedigde de rest aan. Maar joh, dat
gevoel voor de start… Het was alles of niets.’