Het was de kortste etappe in lijn in de Tour de France in decennia. 64 kilometer louter klimmen en dalen. Veel renners hadden nog nooit een dergelijke etappe meegemaakt. Van velen mag zo'n korte rit vaker op het menu staan.
'Ik vind korte etappes goed, maar het heeft niet het spektakel gebracht waar iedereen op gehoopt had', vertelt
Bauke Mollema tegenover
Velonews. 'Het kan nog intenser, maar dat hangt af van wat voor klimmen je uitkiest.' Over de start was hij minder lovend. 'Dat was echt een lachertje, want de eerste kilometers waren te makkelijk. Je kwam heel snel weer vooraan. Het was veel opwinding om niets.'
In tegenstelling tot Mollema was Taylor Phinney niet in staat om aan te vallen. 'De trend is om etappes korter te maken en dat vind ik goed. Het maakt de koersen interessanter om te volgen, maar ik zal hier nooit een rol in spelen. Zolang ze het voor iemand zoals ik niet onmogelijk maken om te finishen, vind ik het goed.'
Voor
Wout Poels maakte het niet veel uit. 'De kortere afstand veranderde onze strategie niet. We hebben gedaan wat we altijd doen en hebben de groep behoorlijk gecontroleerd. We misten nu vooral de vlakken aanloop van tachtig kilometer, dat vind ik geen probleem.'
Ook de al gehele Tour gehavende
Lawson Craddock had weinig problemen met de opzet. 'Je komt gelijk bij het belangrijke deel en het was te doen voor de jongens voor- en achteraan. De rit ervoor duurde 220 kilometer en er was een gevecht om in de vlucht te zitten van meer dan honderd kilometer. Dat was een veel grotere uitdaging voor ons. Nu was de vlucht gelijk weg en ontstaat er een soort hiërarchie.'
(foto: BORA-hansgrohe / Bettini Photo's.)